Inhoud
Het advies dat je bij het impostersyndroom het vaakst hoort: leg een complimentenmap aan. Bewaar de mails waarin mensen je bedankten en lees ze terug zodra de twijfel weer opspeelt. Het staat in bijna elk stuk over het onderwerp ergens bovenaan. Het wetenschappelijke artikel waarin de term werd bedacht, legde in 1978 al uit waarom het niet werkt.
De map komt er ook echt. De mails worden bewaard en wel degelijk teruggelezen. Alleen blijkt elke mail zijn eigen verklaring mee te brengen, en in die verklaring kom jij nooit voor. Zo kan een map blijven groeien zonder dat er ooit iets in telt.
Het impostersyndroom overleeft namelijk bewijs. Eronder draait een vaste opbergregel, en die verandert nooit. Wat goed gaat, belandt in het vakje geluk, timing of lange dagen. Wat misgaat, belandt in het vakje “ligt aan mij”. Stop je meer successen in zo'n systeem, dan krijg je er alleen papierwerk bij.
Het belangrijkste
- Het impostersyndroom is de overtuiging dat anderen je overschatten en dat je ooit door de mand valt. Het beschrijft een ervaring, geen diagnose, en staat niet in de DSM en ook niet in de ICD.
- Bewijs lost het niet op, want aan bewijs is geen gebrek. Successen worden toegeschreven aan geluk, timing of hard werken in plaats van aan je eigen kunnen, dus er meer verzamelen verandert niets.
- Overmatig voorbereiden werkt als bijgeloof. Het komt vóór het succes, dus het strijkt de eer op, en de twijfel blijft in dienst als werkmethode.
- Het beroemde percentage staat op losse schroeven. Afhankelijk van waar de grens ligt, lopen de gemeten cijfers uiteen van 9% tot 82%, en tot de review van 2020 was er nog geen enkele behandeling getest.
- Soms is het gevoel helemaal geen vertekening, maar gewoon kloppende informatie. Die twee uit elkaar houden doet meer dan welke zelfvertrouwensoefening ook.
Wat is het impostersyndroom?
Het impostersyndroom is de hardnekkige overtuiging dat je je succes niet verdient en dat anderen je overschatten, ook als het bewijs duidelijk de andere kant op wijst. Een definitie uit onderzoek op de werkvloer houdt het kort: het idee dat anderen overschatten wat je op je werk kunt. Het beschrijft een ervaring, geen medische aandoening. Je vindt het niet in het handboek van de American Psychiatric Association en ook niet in de internationale classificatie van ziekten.
Pauline Rose Clance en Suzanne Imes gaven het in 1978 een naam, na vijf jaar therapiegroepen, colleges en individuele gesprekken met meer dan 150 vrouwen die veel hadden bereikt. Zij spraken van het imposter phenomenon. Het woord “syndroom” kwam er pas later bij, van elders, en het suggereert ongemerkt een aandoening met een behandeling. Dat is veel gewicht voor één woord. Onderzoekers schrijven nog altijd impostor, met een o. Wie erop zoekt, typt imposter, en die spelling heeft gewonnen. Nederlandse namen als bedriegers- of oplichterssyndroom bestaan ook, maar in de praktijk zegt iedereen gewoon impostersyndroom.
De oorspronkelijke groep was smal, en dat schreven de auteurs er zelf bij. Vooral witte Amerikaanse vrouwen uit de midden- en hogere klasse, tussen de 20 en 45 jaar, van wie ongeveer een derde in therapie was. Klinische observatie dus, geen enquête. Dat komt verderop nog terug.
Hoe herken je het impostersyndroom?
Herkenbaar is niet de twijfel zelf, want vrijwel iedereen twijfelt voor iets moeilijks. Herkenbaar is wat er gebeurt als het achter de rug is en goed is gegaan.
- Goed nieuws moet worden weggeredeneerd. Binnen een dag hangt er een verklaring aan de promotie, en die verklaring ben jij niet.
- Je bereidt je voor tot ver voorbij het punt waarop het nog helpt. De presentatie was dinsdag af. Donderdagavond gaat hij alsnog helemaal op de schop.
- Of precies het omgekeerde. Je begint pas als de deadline eng dichtbij is, en dat levert handig genoeg een verklaring voor elke afloop.
- Een compliment lees je als bewijs dat ze je verkeerd inschatten. Als ze wisten wat je echt had gedaan, zeiden ze dat niet.
- Om hulp vragen voelt als een bekentenis afleggen.
- Je kent je vak en kunt het niet hardop zeggen. De zin “ik ben hier goed in” komt er niet uit, zelfs niet in je eentje in de keuken.
- Elk nieuw niveau zet de teller terug. Sinds je senior bent, is het erger geworden. Daar had niemand je voor gewaarschuwd.
Het gaat minder om het aantal vinkjes dan om het patroon. Twijfel vooraf is normaal en vaak nuttig. Twijfel die het resultaat overleeft, daar gaat dit stuk over.
Waarom helpt een lijst met successen niet?
Omdat het niet aan successen ontbreekt. Clance en Imes zeiden het in 1978 al, en directer is het sindsdien niet gezegd: talloze prestaties, waarvan je zou verwachten dat ze ruim bewijs leveren van een bovengemiddeld intellect, lijken het geloof dat je een bedrieger bent niet te raken. Verderop in hetzelfde artikel, na vijf jaar van dichtbij meekijken, voegden ze eraan toe dat herhaald succes alleen niet genoeg was om de cirkel te doorbreken.
De verklaring zit in attributie, oftewel waar je een uitkomst aan toeschrijft. Het onderzoek waarop ze voortbouwden, had laten zien dat een onverwachte uitkomst meestal een tijdelijke verklaring krijgt, zodat de verwachtingen blijven waar ze waren. Voor wie verwacht door de mand te vallen, is succes de onverwachte uitkomst. Het wordt toegeschreven aan geluk, hard werken of een milde beoordelaar. Falen krijgt juist een vaste oorzaak: je eigen kunnen. Draait die opbergregel eenmaal, dan wijst de rest zich vanzelf. Successen komen binnen, gaan in het vakje geluk, en de map met “ik” erop blijft leeg, hoe vol de la ook raakt.
Wat houdt het impostersyndroom in stand?
Vooral drie gewoontes houden het in stand: overmatig voorbereiden, mensen naar de mond praten, en goedkeuring verzamelen die nooit blijft hangen. Alle drie staan al in het artikel uit 1978. Ze zitten op dezelfde vervelende manier in elkaar: elk levert een goede uitkomst op en strijkt daarna zelf de eer op.
Overmatig voorbereiden als bijgeloof. De cirkel die Clance en Imes beschreven, loopt van angst om door de mand te vallen, via keihard werken en je twijfel verbergen, naar een sterk resultaat, goedkeuring en een opluchting die snel wegebt. Het onderliggende gevoel dat je nep bent, wordt er namelijk nooit door geraakt.
Dan komt het deel dat bijna niemand citeert. Hun cliënten ontwikkelden een half bewust geloof: als ik ooit verwacht dat het lukt, gaat het mis. De auteurs schreven dat dat geloof het karakter kreeg van een magisch ritueel. De twijfel wordt gepromoveerd tot methode. En daarom maakt een promotie het erger in plaats van beter, iets waar mensen het meest van opkijken. Meer op het spel, groter ritueel.
Mensen naar de mond praten. Clance en Imes noemden het intellectuele vleierij. Je citeert de bronnen waar je begeleider dol op is, je zegt niets tijdens een meningsverschil, je zet het idee van je leidinggevende in het voorstel op de plek waar het jouwe zou komen. De prijs is dat je eigen mening nooit wordt getest, dus je komt nooit te weten dat die overeind was gebleven. Op dit ene smalle punt klopt het gevoel een bedrieger te zijn. Het meldt de vleierij, niet je kunnen. In het groot heet die gewoonte pleasegedrag.
Goedkeuring verzamelen die je niet kunt vasthouden. Je zoekt iemand wiens oordeel je respecteert, werkt je uit de naad om indruk te maken, en zodra het oordeel binnen is, streep je het weg. Ze vonden vooral je enthousiasme leuk, of je manier van doen, niet je werk. Dus ga je op zoek naar de volgende. De cliënten van Clance hadden nog een tweede overtuiging die de uitgang afsloot: iemand die echt kundig is, had die geruststelling helemaal niet nodig gehad.
Draait de cirkel bij jou?
- Heb je na iets wat goed ging binnen een dag een verklaring klaar die niets met jou te maken heeft?
- Ga je door met voorbereiden als het allang niets meer toevoegt?
- Zou “ik ben hier goed in” lastig hardop te zeggen zijn, zelfs als er niemand in de kamer is?
0 van 3 beantwoord
Bestaat het impostersyndroom echt?
Het beschrijft iets wat mensen overduidelijk meemaken, en de metingen eromheen zijn losser dan de berichtgeving doet vermoeden. Een systematische review uit 2020 bundelde 62 studies met samen 14.161 deelnemers en vond dat het aandeel mensen met het impostersyndroom ergens tussen 9% en 82% lag. Die spreiding hing af van welke vragenlijst werd gebruikt en waar de grens lag. In één geval schoof de grens op dezelfde schaal vier punten op, en het percentage ging van 24% naar 39%. De 82% is het getal dat de blogs en krantenstukken haalt.
Twee andere bevindingen uit die review zijn het onthouden waard. De helft van de studies die naar een verschil tussen mannen en vrouwen keken, vond er geen, terwijl het hele idee voortkwam uit werk over vrouwen. En geen enkele studie in de review had een behandeling getest. Elke stellige aanpak in vijf stappen die rondgaat, is dus per definitie ongetest, de suggesties verderop op deze pagina inbegrepen.
De vijf typen die in bijna elk stuk opduiken, de perfectionist, de expert, het natuurtalent, de solist en de supermens, komen uit een boek van een spreker en trainer, niet uit onderzoek. Ze geven je handige woorden. Een bevinding zijn ze niet.
Klopt het gevoel soms gewoon?
Soms wel, op twee specifieke manieren, en geen van beide betekent dat je slecht bent in je werk. Óf het meldt terecht dat je de gewoonte hebt mensen naar de mond te praten, óf het pikt terecht op dat je omgeving je als buitenstaander behandelt.
Het eerste is het vleiprobleem van hierboven. Stem een jaar lang in met dingen waar je het niet mee eens bent, en het gevoel dat je toneel speelt wordt een correcte melding van precies dat toneelspel. De oplossing is om in één overleg één ding te zeggen dat je echt vindt. Meer bewijs van je kunnen raakt dit niet.
Het tweede zegt iets over de omgeving, niet over jou. In 2021 betoogden Ruchika Tulshyan en Jodi-Ann Burey in Harvard Business Review dat het begrip op een smalle steekproef rust en een structureel probleem in het individu legt. Mensen die met echte vooroordelen te maken hebben, krijgen zo een persoonlijk defect om aan te werken. Het werd een van de meest gelezen stukken die het blad ooit publiceerde. Blijkbaar benoemde het iets wat mensen herkenden.
De enige aan tafel zijn die eruitziet zoals jij, klinkt zoals jij of via een andere deur binnenkwam, geeft een gevoel dat bijna niet van het impostersyndroom te onderscheiden is. Toch is het iets heel anders. De toets is saai en nuttig. Volgt het gevoel je overal, of duikt het alleen op bepaalde plekken op?
Er is ook een bevinding die prettig de andere kant op wijst. In vier studies met samen 3.603 deelnemers werden werknemers die vaker impostergedachten hadden door collega's beoordeeld als sterker in de omgang met anderen. De twijfel zette ze aan tot beter luisteren, echt samenwerken en om hulp vragen. Een cadeautje is het daarmee niet, en het kost veel om draaiende te houden. Het betekent wel dat het gevoel een slechte graadmeter is voor je kunnen. Terwijl jij je schrap zet voor het moment dat je door de mand valt, zien je collega's vooral hoe goed je luistert.
Verwar het niet met een lage eigenwaarde. Die is breder en heeft geen prestatie nodig om zich aan vast te haken. Het impostersyndroom is smaller. Het teert op succes, want elke overwinning is weer iets om weg te redeneren.
Wat kun je doen tegen het impostersyndroom?
De oplossing is veranderen hoe je resultaten verklaart, niet er meer verzamelen: schrijf voor een taak een voorspelling op, schroef het overmatig voorbereiden bewust terug en spreek de angst hardop uit tegen een vakgenoot. Bewezen is niets hiervan. Tot de review van 2020 had niemand ook maar één behandeling getest. Deze drie stappen zijn wat Clance en Imes zelf aanraadden, en ze lijken in niets op wat de adviesrubrieken van hen hebben overgenomen.
Schrijf vooraf de voorspelling op, niet achteraf de verklaring. Ze vroegen cliënten zich voor te bereiden met de verwachting “het gaat me goed af” in plaats van “misschien mislukt het”, en noemden slagen zonder die twijfel vooraf de doorbraak die het ritueel ongedaan maakt. In de praktijk is dat één zin in je notities voordat het overleg begint. Wat je verwacht, en waarom. Na afloop lees je die zin terug. Zodra het resultaat binnen is, voelt de verklaring “geluk gehad” onweerlegbaar. Een voorspelling die je van tevoren opschreef, is veel lastiger weg te redeneren.
Schroef het voorbereiden één keer bewust terug, bij iets kleins. Die extra vier uur kun je nooit op hun waarde schatten zolang ze er altijd zijn. Clance en Imes wilden het dwangmatige werk juist verminderen, omdat het de verklaring “ik heb gewoon hard gewerkt” blijft voeden. Kies iets waar weinig van afhangt, doe de normale hoeveelheid en kijk wat er gebeurt. Meestal gebeurt er niets, en dat niets is precies de informatie.
Zeg het hardop tegen iemand die hetzelfde werk doet. In het oorspronkelijke werk kwam dit bijna nooit vanzelf ter sprake. Het was een goed bewaard geheim dat pas na een aantal sessies bovenkwam. Dat de groepsvorm werkte, had weinig met troost te maken. De vertekening is van binnenuit onzichtbaar en van buitenaf overduidelijk. Een collega die je echt respecteert precies dezelfde angst horen beschrijven, doet in tien minuten meer dan de map met bedankmails in twee jaar.
Dan nog twee grenzen. Gaat het verder dan ongemak en ontloop je werk dat je best kunt, zeg je nee tegen dingen die je eigenlijk wilt of slaap je 's nachts amper nog? Praat er dan over met je huisarts of een psycholoog. Dat is heel gewoon en geen schuldbekentenis. En een patroon dat zo vaak voorkomt bij capabele mensen, is op zichzelf geen bewijs dat er iets met je mis is.
De map is niet leeg. Er zitten eenennegentig mails in, opgeborgen onder andermans gulheid. Het werk zit in het opbergen, niet in de map.
Veelgestelde vragen
Het is de overtuiging dat je succes mensen om de tuin heeft geleid en dat je ooit door de mand valt, terwijl er echt bewijs is dat je het kunt. Kenmerkend is dat prestaties het niet verlichten. Ze worden afgedaan als geluk, timing of hard werken in plaats van je eigen kunnen.
Nee. Het staat niet in het handboek van de American Psychiatric Association en niet in de internationale classificatie van ziekten, en er bestaan geen diagnostische criteria voor. Angstklachten en depressie komen er vaak naast voor. Dat zijn aparte dingen, en die kan een professional wel echt beoordelen en behandelen.
De perfectionist, de expert, het natuurtalent, de solist en de supermens, bekend geworden via schrijver en spreker Valerie Young. Ze komen uit een boek, niet uit onderzoek. Als woorden voor de ervaring werken ze prima, als vastgestelde categorieën niet.
Omdat de cirkel draait op overmatig voorbereiden, en een grotere rol vraagt om een groter ritueel. Met meer op het spel voelt de twijfel vooraf nog noodzakelijker, en het succes dat volgt wordt toegeschreven aan de extra uren in plaats van aan je kunnen. Met de nieuwe titel valt bovendien het excuus weg dat je nog junior bent.
Volgens een systematische review uit 2020 was er nog geen enkele behandeling getest, dus wie genezing belooft, gokt. De oorspronkelijke onderzoekers pakten de gewoonte van het toeschrijven aan in plaats van meer bewijs te verzamelen: opschrijven wat je verwacht voordat je aan een taak begint, bewust minder voorbereiden en de angst hardop uitspreken tegen een vakgenoot.




